De geschiedenis van het schrift en met name van het alfabet zoals we dat nu kennen, gaat 20.000 jaar terug naar het protoschrift: prehistorische grottekeningen als middel om gegevens vast te leggen en informatie over te dragen.

Geleidelijk ontwikkelden deze grottekeningen zich tot kleine tekeningen en symbolen die gebruikt werden om te communiceren, het zogenaamde beeldschrift of pictografie.

Door de economische en culturele groei in MesopotamiŽ (3000 voor Chr.) ontstond de behoefte om afspraken en contracten schriftelijk vast te leggen en om aantekeningen te maken. Dit gebeurde door met een spits voorwerp pictogrammen in een kleitablet te krassen dan wel door stukjes hout of riet in een kleitablet te steken. Dit staat nu bekend als het spijkerschrift. Er was echter nog geen sprake van een alfabet.

De eersten die een echt alfabet hadden, waren de FoeniciŽrs (1400 - 1200 voor Chr.). Zij hadden een schrift bestaande uit 30 tekens waarmee ze communiceerden. Doordat de FoeniciŽrs de hele Middellandse Zee afreisden, verspreidden ze hun alfabet over een groot gebied. Dit schrift noemen we: het Oegaritschrift, genoemd naar de plaats waar in 1929 enkele beschreven kleitabletten zijn gevonden.

Rond 800 voor Chr. hebben de Grieken dit Oegaritschrift gebruikt als basis voor het Griekse schrift. Zij hebben het aangevuld met een aantal klinkers. Ook dit schrift werd verspreid en er ontstonden verschillende varianten (Ionisch- en Chalchidischschrift).  De Etrusken hebben rond 700 voor Chr. dit alfabet tijdens de bezetting van Rome, in deze stad ingevoerd.

Bij de opkomst van het Romeinse Rijk in de 3de de eeuw wilden de Romeinen een eigen schrift. De Romeinen gebruikten Griekse letters als basis en voegden er nieuwe letters aan toe. Zo ontstond het Latijn: een volledig en uitgekristalliseerd schrift. Het Romeinse alfabet wordt nu al ruim 2000 jaar gebruikt. De toen door de Romeinen ontwikkelden letters zijn nog steeds in grote lijnen terug te vinden in ons schrift. De bekendste vorm van het Romeinse alfabet is de hoofdletter (majuskel) die voor inscripties in steen werd gebruikt. Vandaar dat hun schrift de Romeinse kapitaal wordt genoemd.

De Romeinse kapitaal werd eigenlijk alleen gebruikt voor officiŽle doeleinden. In het goed ontwikkelde culturele, politieke en economische leven van de Romeinen had men ook behoefte aan een schrift waarmee men snel notities kon maken. Er ontstonden verschillende handschriften voor verschillende doelen: voor literair werk, voor officiŽle documenten en voor het maken van aantekeningen. Deze handschriften staan bekend onder de naam Romeinse cursief. Het woord cursief is afgeleid van: cursivus en betekent lopend schrift (vergelijk: koerier). Rond 400 bestonden er verschillende schrijfvarianten van het Romeinse schrift. De bekendste was de capitalis Rustica.

Na de val van het Romeinse Rijk in de 4de  eeuw na Chr. ontstond er in de kloosters een nieuw schrift dat gebaseerd was op het Romeinse schrift. Door het gebruik van perkament en ganzenveer nam de schrijfsnelheid toe en veranderde het schrift. De vorm van de letters werd ronder. Zo ontstond de Unciaal.  Het woord Unciaal is afgeleid van het Latijnse "uncia", hetgeen 1/12 deel van een gewicht of maat betekent.

De Unciaal is dan ook een verkleining van de Romeinse Rustica en wordt wel de vroegchristelijke letter genoemd omdat alle kloostergeschriften in dit schrift zijn geschreven.

De Unciaal zou tot de 8ste eeuw de meest gebruikte letter blijven voor boeken. Door het grote verspreidingsgebied van dit schrift (van Ierland tot ItaliŽ) ontstonden er verschillende varianten. Naarmate de boekproductie toenam, werd steeds sneller en minder formeel geschreven. De stokken en staarten werden langer en zo ontstond de Halfunciaal.

Karel de Grote werd in 800 in Rome tot keizer gekroond. Hij heerste over een gebied dat zich uitstrekte over een groot deel van het huidige Europa. Hij vond dat er in zijn rijk een eenheidsschrift moest zijn dat door iedereen gebruikt zou worden, dat goed leesbaar was en, wellicht het belangrijkst, waarmee de decreten die hij uitbracht door iedereen goed begrepen zouden worden. Hij gaf de schrijfmeester AlcuÔnus uit York, die aan het hoofd stond van de hofschool in Aken, opdracht een nieuw schrift te ontwikkelen. Het handschrift dat toen ontstond was opgebouwd uit de verschillende varianten van de Unciaal en de Halfunciaal. We noemen dit handschrift: de Karolingische minuskel. Men ging over tot het schrijven van kleine letters. De kleine letter (minuskel) bevorderde samen met de hoofdletter (majuskel) de leesbaarheid. De woorden werden los geschreven, iets wat bij de Unciaal niet het geval was.

Gedurende de 11de en 12de eeuw worden de letters steeds meer gecomprimeerd en er ontstaat rond 1250 een nieuw handschrift: de Textura. De reden voor het nieuwe handschrift had economische motieven. Men wilde meer letters en woorden op een regel krijgen. Daartoe werden de letters smaller en dichter op elkaar geschreven. Ook de regelafstand werd kleiner.  De Textura is de bekendste gotische letter. De hoekige vormen en de smalle letters passen bij de stijl van de gotiek. In een gotische kathedraal vind je hoge smalle spitsbogen en de ontwerpers van de Textura hebben zich mogelijk hierdoor laten inspireren.

De strakke samengeperste letters en de kleine witruimtes maakten de Textura moeilijk leesbaar en er ontstonden vele varianten. In Frankrijk ontwikkelde men de Bastarda, in Noord-Europa de Quadrata, in Duitsland ontstond de Fraktuur en in Engeland gaf men de voorkeur aan een slanke letter op "platvoeten", de Prescissus. De Italianen hadden geen sympathie voor de gotiek en dus ook niet voor de Textura. In de architectuur streefde men naar helderheid, openheid en ruimte. Het schrift dat in ItaliŽ en Spanje gebruikt werd had dan ook een lichtere en open letter: de Rotunda.

Gedurende de Italiaanse renaissance (rond 1400) kreeg men opnieuw belangstelling voor de klassieke oudheid. Er ontstond een nieuw schrift dat terug greep op de Romeinse kapitaal voor de hoofdletters en op de Karolingische minuskel voor de kleine letters. Dit nieuwe schrift heette de Humanistische minuskel. In Noord-Europa kwam de renaissance later op gang zodat deze letter pas in 1500 werd geÔntroduceerd. Dit schrift werd met name de schrijfstijl van de humanisten, de geleerden en de kunstenaars uit de renaissance.

In het midden van de 15de eeuw, met de uitvinding van de boekdrukkunst, werden steeds meer boeken gedrukt. Deze werden aanvankelijk als minderwaardig en als een imitatie van een handgeschreven boek beschouwd. Een handgeschreven boek werd gezien als een statussymbool. Uiteindelijk, eind 16de eeuw, heeft men zich geschikt in de toenemende rol van het gedrukte boek. Het handschrift bleef echter bestaan.

Uit de Humanistische minuskel is na verloop van tijd een cursieve variant ontstaan die we de Humanistische cursief noemen, ook wel de Italic genoemd. Deze letter kon sneller worden geschreven en de pen hoefde minder vaak van het papier getild worden doordat veel letters aan elkaar werden geschreven. Deze letter werd onder meer door Mercator in de Nederlanden geÔntroduceerd en is nog steeds erg populair. Van dit schrift bestaan heel veel variaties.

In de tweede helft van de 16de eeuw werd de kopergravure ingevoerd voor het maken van drukwerk, waarbij men met een spitse pen in de koperplaat schreef. Dit had onmiddellijk gevolgen voor de manier van schrijven. De brede bandschriftpen verdween en de spitse penpunt werd ingevoerd. Dit leidde tot het zwelschrift. Het is met een spitse punt niet mogelijk om dikke en dunne lijnen te schrijven. Dit loste men op door tijdens het schrijven op de pen te drukken. Hierdoor gingen de penpunten uit elkaar staan. Dit zogenaamde zwelschrift werd met name bekend door de 17de-eeuwse kalligraaf Jan van den Velde. Hij leefde in de tijd van de barok, en het zwelschrift leende zich uitstekend om de letters overeenkomstig de stijl van die tijd uitbundig te versieren.

Tijdens de 18de-eeuwse verlichting met haar rationalistische stroming, streefde men naar eenvoud zonder franje. Deze rationele benadering van de letter en het schrift, leidde tot het rondschift welke tot 1950 is gebruikt. De penstand en de vormgeving van elke letter werd wiskundig vastgelegd.

In 1813 werd in Nederland het nationaal schoonschrift ingevoerd. Dit schrift borduurde voort op de classicistische letter. Het schrift moest vlot schrijfbaar zijn. Met name na 1900 wilde men de pen zoveel mogelijk op het papier houden en de letters aan elkaar schrijven. Daardoor veranderden enkele letters zoals de F en de T, van vorm.

Aan het begin van de 21ste  eeuw lijkt het ondenkbaar dat het alfabet ooit nog van vorm zal veranderen. We hebben echter gezien dat het schrift in de geschiedenis al vele malen is aangepast, om uiteenlopende redenen. Het schrift hoort bij de mens en zijn tijd en het is denkbaar dat ook het handschrift verder zal evolueren.